GILDE SINT SEBASTIAAN
© 2015 Gilde Sint Sebastiaan Oirschot

Reglement (2)

Gebruiken bij het overlijden van een gildenbroeder of vriend van het gilde

1.  Bij overlijden van een gildenbroeder worden de nabestaanden door een delegatie van de overheid

     thuis gecondoleerd en wordt met hen overlegd of de overledene met gildeneer begraven, dan wel

     gecremeerd zal worden.

2.  In geval van het overlijden van een Vriend van het gilde worden de nabestaanden door een

     delegatie van de overheid thuis gecondoleerd en wordt met hen overlegd of het gilde met een

     deputatie in vol ornaat de begrafenis of crematie zal bijwonen. Een dergelijke officiële

     gildendeputatie zal bestaan uit minimaal vier en maximaal zes personen, samengesteld uit of

     namens de overheid. De hoofdman bepaalt, zonodig in overleg met de nabestaanden, de

     samenstelling van de delegatie.

3.  Door de overheid worden schriftelijke convocaties uitgedaan naar alle gildenbroeders waarin:     

     a.  het overlijden van de gildenbroeder wordt meegedeeld;     

     b.  een oproep wordt gedaan tot het bijwonen in vol ornaat van de begrafenisplechtigheden dan

          wel, in geval geen mis plaatsvindt, de crematieplechtigheden en;     

     c.  de opstelling van de gildenstoet tijdens de begrafenisplechtigheden dan wel de gildeactiviteiten

          tijdens de crematieplechtigheden worden weergegeven.

3a. De overheid van het Sint Sebastiaansgilde in Westerlo wordt, in het geval van het overlijden van

     een lid van de eigen overheid, in kennis gesteld. Tevens wordt het zustergilde uitgenodigd om met

     een delegatie de begrafenisplechtigheden dan wel, in geval geen mis plaatsvindt, de crematie-

     plechtigheden bij te wonen. In het geval van het overlijden van een lid van de overheid van het

     zustergilde, zal ons gilde de begrafenisplechtigheden aldaar bijwonen met een delegatie. Deze     

     delegatie wordt door de hoofdman samengesteld.

4.  Door de overheid worden schriftelijke convocaties uitgedaan naar alle gildenbroeders waarin:      

     a.  het overlijden van een Vriend van het gilde wordt medegedeeld;     

     b.  een verzoek wordt gedaan tot het als privé-persoon bijwonen van de begrafenisplechtigheden

          of crematie en;     

     c.  wordt kenbaar gemaakt dat een delegatie namens de overheid het gilde officieel zal

          vertegenwoordigen.

4a. Door de overheid wordt bij het overlijden van een gildenbroeder dan wel het overlijden van een

     Vriend van het gilde een schrijven uitgedaan naar alle Vrienden van het gilde waarin:     

     a.  het overlijden van de gildebroeder/Vriend van het gilde wordt medegedeeld;     

     b.  de aangeschrevene wordt verzocht om de begrafenisplechtigheden of crematie bij te wonen.

5.  Op de dag van de begrafenis of crematie van de overleden gildenbroeder komt het gilde samen in

     het gildenhuis. Hier worden de zilveren rouwtekens uitgereikt welke op de linkermouw worden

     gedragen. Tevens worden in het gildenhuis door of namens de hoofdman de laatste instructies

     gegeven inzake de begrafenisplechtigheden dan wel, indien geen mis plaatsvindt, de gilde-

     activiteiten tijdens de crematieplechtigheden.

6.  Elke gildenbroeder draagt zorg voor een ordentelijke uitstraling door een verzorgd vol ornaat. Zo

     wordt enkel de gildenstropdas gedragen, zijn hoeden en kostuum schoon en passend, zijn de te

     dragen schoenen zwart en gepoetst, zijn zilveren attributen gepoetst en worden enkel zwarte

     regenschermen gedragen.

7.  Er wordt geen koningszilver noch overig prijzenzilver tijdens de begrafenisplechtigheden of

     crematieplechtigheden meegedragen. Alle persoonlijke attributen en aan de functie verbonden

     onderscheidingen worden wel gedragen, waaronder de tekenen van waardigheid van koning en

     keizer. Tevens worden alle op basis van gildenverdienste verkregen onderscheidingen gedragen.

8.  De trom wordt van een rouwfloers voorzien. Hoofdmansstaf en hoofdmansdekenstaven worden

     van een rouwlint voorzien. Het gildenvaandel evenals de zwaaivendels worden omfloerst. Het

     standaardvaandel wordt meegevoerd tijdens begrafenisplechtigheden.

9.  Indien de overledene van diens woonhuis wordt opgehaald, dan zal van het gildenhuis naar het

     huis van de overledene de trom niet worden geroerd, behoudens een zachte ritmeslag.

10. Na het ophalen van de overledene wordt een rouwmars geslagen van het huis van de overledene

     tot in de kerk en van de kerk tot aan het kerkhof.

11. Indien de overledene vanaf het mortuarium, of aan de kerk zelf wordt opgehaald, gelden dezelfde

     regels als hiervoor beschreven.

12. Attributen van de overledene, zoals sjerp met onderscheidingen, sikkel of staf, worden op de kist

     gelegd. De kist zelf wordt bedekt met het oude gildenvaandel. In geval van het overlijden van een

     oud-koning wordt diens laatste koningsschild op de kist gelegd.

13. Het gilde neemt vanaf het vertrek vanuit het gildenhuis de hieronder afgebeelde opstelling aan.

     Nadat de pastoor, of degene die de begrafenisplechtigheden leidt, de kist met de overledene heeft

     gezegend, loopt het gilde voor voornoemde functionaris en de kist uit tot aan de ruimte voor het

     altaar. De tamboer tromt onderwijl een rouwmars. Voor in de kerk aangekomen ontbindt zich de      

     optocht op teken van de hoofdman en nemen de gildenbroeders plaats op gereserveerde plaatsen

     in de linker of rechter zijbeuk. De hoofddeksels worden tijdens de duur van de mis afgezet.

X uitvaartleider

X

standaardvaandel

X X X tamboer(s) X gildevaandel X X vendeliers X X vendeliers X X rentmeester/hoofdman X X koning/keizer X X hoofdmansdekens X X koningsdekens X X leden overheid X X enz. X X ereleden X X enz. X X gildenbroeders X X enz. X X X acolieten X acoliet X pastoor/leider plechtigheden X K X 8 dragers X I X X S X X T X X X X familie X X X enz.

14.  Als dragers van de kist fungeren 8 leden van het gilde. Deze dragers kunnen van zowel binnen

       als buiten de overheid worden aangezocht. De hoofdman bepaalt, zo nodig in overleg met de

       nabestaanden, de samenstelling van deze groep.

15.  Aangezien niet sprake is van een gildenmis wordt het gildenvaandel tijdens de consecratie niet

       geneigd. Ook de trom wordt niet geroerd. Er vindt geen collecte op de gildentrom plaats.

16.  Het gilde presenteert zich als eenheid tijdens de begrafenisplechtigheden en wordt daarom niet

       op voorhand ingedeeld voor het uitdelen van bidprentjes of het dragen van bloemstukken.

17.  Na de absoute door de pastoor, of door degene die de plechtigheden leidt, stelt het gilde zich

       weer op in de middengang in dezelfde volgorde als bij binnenkomst, en draait zich om met het

       gezicht naar het altaar. Nadat de dragers zijn opgesteld draait het gilde zich op teken van de

       hoofdman een halve slag om en gaat voor de pastoor, of degene die de plechtigheden leidt, en

       de kist weer de kerk uit. De tamboer tromt tot op het kerkhof een rouwmars.

18.  Aangekomen op het kerkhof lopen hoofdman, rentmeester, koning, keizer en vaandrig mee met

       de pastoor, of degene die de plechtigheden leidt, naar het aanwezige gebouwtje. De andere

       gildenbroeders stellen zich achter de aanwezige heg in een erehaag op, van de poort van het

       kerkhof tot aan de opstelplaats van de kist. De dragers sluiten zich aan bij deze erehaag na het

       afleveren van de kist.

19.  Op het kerkhof treedt, na het afsluiten van overige plichtplegingen, de vaandrig op aangeven

       van de hoofdman naar het hoofd van de kist. De vaandrig stoot vervolgens driemaal de kist aan

       met de bol van de vaandelstok, gevolgd door het driemaal van rechts naar links van schouder

       tot schouder boven de kist zwaaien van het gildenvaandel. De trom wordt niet geroerd. Op

       commando van de hoofdman treedt de vaandrig terug naar zijn oorspronkelijke plaats.

20.  De onder punt 18 genoemde erehaag blijft opgesteld tot en met de onder punt 19 genoemde

       laatste gildengroet. Hierna formeert het gilde zich op aangeven van de hoofdman weer tot de

       optocht, zoals deze tijdens de begrafenisplechtigheid was opgesteld, en trekt weg met de

       overheid aan het hoofd. Op teken van de hoofdman ontbindt dit verband zich pas voor het

       gildenhuis. Na het vertrek van het kerkhof wordt de trom niet meer geroerd, behoudens een

       zachte ritmeslag.

21.  In geval van een crematie wordt van de overleden gildenbroeder afscheid genomen bij het

       buitenkomen uit de kerk, dus in de nabijheid van de kerktoren. Het ritueel zoals opgenomen

       onder punt 19 wordt ook in deze situatie gebruikt. De gildenbroeders stellen zich op aanwijzing

       van de hoofdman op rondom de kist. Na de groet trekt het gilde weg zoals genoemd bij punt 20.

21a. In geval van een crematie zonder mis worden dezelfde gebruiken toegepast, welke in en rondom

       een kerkdienst van toepassing zijn. Op het moment van de plechtigheid worden op aanwijzing

       van de hoofdman de orde bepaald aangaande  het binnenbrengen van de kist, de erehaag, de

       vaandelgroet en de ordentelijke aftocht.

22.  Het oude gildenvaandel, de sjerp en overige attributen blijven op de kist liggen en worden door

       de begrafenisondernemer terugbezorgd bij de rentmeester. In geval van een crematie zonder

       voorafgaande mis worden het oude gildenvaandel, sjerp en eventuele attributen overgedragen

       aan het gilde bij het einde  van de plechtigheid voorafgaand aan de crematie.

23.  De gildenbroeders verzamelen zich nogmaals in het gildenhuis alwaar zij een consumptie zullen

       nuttigen. Volgens traditie wordt deze aangeboden door de familie van de overledene. Indien dit

       zich niet voordoet, wordt een consumptie aangeboden door het gilde.

24.  De overheid heeft de bevoegdheid om met de nabestaanden zo nodig nadere afspraken te maken

       aangaande de gildenactiviteiten in het huis van de overledene, in de kerk danwel op het kerkhof

       en, in geval er geen mis plaatsvindt, tijdens de plechtigheden voorafgaand aan de crematie.

25.  In de eerstvolgende ledenvergadering en overhedenvergadering na de begrafenis of crematie

       van de overleden gildenbroeder of Vriend van het gilde wordt bij het begin van de vergadering 1

       minuut stilte inachtgenomen.

26.  De nabestaanden van de overleden gildenbroeder dienen zorg te dragen voor teruggave van

       gildenzilver, bescheiden van het gilde en alle andere zaken die aan het gilde toebehoren. De

       hoofdman en de archivaris zien hierop toe.

27.  In geval van het overlijden van een lid van gilde Sint Sebastiaan worden, zolang betrokkene niet

       begraven of gecremeerd is, officiële gildenactiviteiten opgeschort en verplaatst naar een

       passender moment.

REGLEMENT