Het zijn rare tijden. Corona houdt ons nog steeds in de greep, zo ook onze gildeactiviteiten. Houdt dat een eeuwenoud gilde, wat alle stormen, oorlogen en ziekten doorstond, tegen om te laten zien wat echte broederschap is? Integendeel! Onze jonge nieuwe gildebroeders grepen de pen en bezochten hun ervaren gildebroeders. Om nader kennis te maken en om ze hart onder de riem te steken. Maar vooral ook om van elkaar te leren. Onze tamboer en schutter Toon Capel ging op bezoek bij Jan van Stralen. Over broederschap, het vendelen en Jan’s enorme arbeidsethos. Kom uitgelezen de herfst door met deel 3 uit de serie: “Verhalen uit Sebastiaans broednest!”

Toepasselijker kan het bijna niet in deze rare tijden. Het interview met Jan van Stralen stond keurig gepland. Maar vanwege lichte klachten en een noodgedwongen coronatest, moest ik de afspraak verzetten. Voor Jan geen probleem. Want wat ik ook tijdens het interview nog vaak zou horen, in het voor hem typisch plat Orskôts: “Ik vèèn ’t lichtelijk goed.”

Stille kracht

Met de meest verse gildebroeders besloten we ervaren rotten te gaan interviewen. Een ontzettend leuk idee, notabene van onze ervaren rot en rentmeester Dirk Hagemeijer. Maar wie ga ik interviewen? Mijn keuze om Jan te interviewen vloeit voort uit mijn nieuwsgierigheid naar het verhaal achter een bescheiden mens, een stille kracht. In mijn beleving is dat de tijdloze vertaling van een gildebroeder: bereid zijn om een ander te helpen, zonder zichzelf daartoe in de belangstelling te zetten. En ik ontdekte bij de eerste gildeactiviteiten waar ik bij mocht zijn dat Jan zo’n bescheiden gildebroeder is. Dus ik belde Jan met de vraag of ik hem mocht interviewen. Je raadt het waarschijnlijk al wat zijn antwoord was: “Ik vèèn ’t lichtelijk goed…”

Blazoen

Jan blijkt bij aankomst enorm gastvrij. En ook over de nodige humor te beschikken. Amper binnen: “Wilde een fleske bier, jonge?”. Bescheiden sla ik het, zij het met de nodige moeite, beleefd af.

Met het feit dat Jan in de Gildewijk woont, en specifiek in de straat ‘de Blazoen’, hebben we meteen het eerste onderwerp binnen het thema te pakken. En ook meteen de eerste vraagtekens. Want wat zou de gemeente destijds bedoeld hebben met een blazoen? Volgens Jan is het simpel: “Op ons blazoenen droagen wij de ouw skilden!”. Maar als ik als millennial Google, Wikipedia en de Dikke Van Dale erop nasla, komen er meerdere varianten naar boven. De Van Dale trapt af: he­ral­diek wa­pen, schild, al of niet met de bij­be­ho­ren­de stuk­ken (helm enz.) = wa­pen­bord. Dat komt dus al niet echt overeen. Een andere betekenis is de bekende ronde schijf met verschillende kleuren, waar handboogschutters of voetboogschutters op doel op richten. Zou er een slapende ambtenaar niet verder dan zijn neus lang is gekeken hebben, en dat gelinkt hebben aan de Oirschotse gilden? Een nog andere verklaring verwijst zelfs naar trompetgeschal en dus mogelijk naar bazuinblazers. Nog onwaarschijnlijker. Ik heb de correcte verwijzing niet terug kunnen vinden. We houden het daarom op de versie van Jan. Zoals we die binnen het gilde trouwens allemaal hanteren, ontdekte ik later.

‘Bij Jantje’

Jan is geboren in café ‘Bij Jantje’, het café van zijn vader en wat we nu kennen als ’t Kroegske. De ‘guld’ was Jan niet vreemd. Zijn vader was immers jarenlang standaardruiter. Toch had Jan niet direct de intentie om zijn vader achterna te gaan. Het was zijn latere buurman Harrie van Kollenburg die hem overtuigde lid te worden. “Ik werd op 12 juni 1973, onder in de kelder van De Zwaan geïnstalleerd. Begon als schutter, maar werd al snel vendelier. Op zondagochtend oefenden we met Frans Louwers, totdat Frans helaas stopte”, vertelt Jan. Het oefenen had succes. Op zijn palmares staan twee eerste prijzen bij gildefeesten in Vessem en Moergestel in 1977. Het mooie is dat hij dat nog exact weet te vertellen. Hij gaat verder: “Ze zochten een vaandrig en vroegen me of ik dat wilde worden. In december 1978 werd ik benoemd en ben dat tot 1986 geweest. Ik brak toen namelijk mijn pols en zat maar liefst 56 weken in de ziektewet. Ik meldde me voor twee jaar af als vaandrig en uiteindelijk bedankte ik er in 1990 helemaal voor. De bijbehorende bestuursfunctie werd me er ook te veel bij. Het was mooi zo.” Hij pakte zijn oude vlag weer op en bleef aan als vendelier. En dat is hij nog steeds. Alhoewel: “Ik heb dik gedacht, ik lever ‘m in dieën vlag. Maor jè, zolang er gin ander is. Want dè moet ok vur ‘t skôn, twee vendeliers. En mi Harrie gao da eik ok skôn zo saomen”, glimlacht Jan. Ik vraag aan ‘m of hij het nog zou kunnen, dat vendelen. De laatste keer blijkt zes jaar geleden te zijn. “Ik zô ut nog wel kunnen, maar ik kom denk wa lucht tekort”, lacht Jan. “Dan zulde toch urst wa af moeten vallen!”, roept Jan’s vrouw ad rem erachteraan. “Afvallen, afvallen? Erover vallen zulde bedoelen!”, buldert Jan door de kamer. We lachen er hartelijk om.

Oe eige gedraogen

Jan geniet nog steeds van elke gildeactiviteit. “Ge bent erbij en ge bleft erbij. As ge het nie leuk vindt, dan bedankte.” Maar dat is niet aan de orde. Want Jan is er altijd en je kunt altijd op een Jan een beroep doen als er iets moet gebeuren. “En het onder mekaor zen, da vèn ik zoe skôn, zeker mi koningsschieten. Da’s echt unne hille fijne en mooie dag. Ook de teerdag vènk skôn. Het onder mekaor zen, da vènk ‘r skôn aon. Zeker in d’n optocht. En natuurlijk een lekker pilske erbij”, besluit Jan.

“En is het iets voor jou om nog eens koning te worden?” vraag ik. “Doar denk ik nog nie aon, daor zedde unnen dag in de week mi kwijt”, zegt Jan stellig met een mooie knipoog.

We hebben het vervolgens over de verschillen tussen vroeger en nu. Jan vindt er het zijne van: Vruuger was het veul gemoedelijker, hong ’t meer aon mekaore. Mar dè brengt de tijd mi zich mee.” “En heb je nog tips voor ons als jonge gildebroeders?”, vraag ik. “Zeker, hij moet zunèège kunne gedraogen. Net als ikke, haha!”, schatert Jan.

Corvee

Wat me ondertussen opvalt is hoe lief Jan en zijn vrouw met elkaar omgaan. Hij zal het niet graag willen horen, maar het is zelfs schattig te noemen. De liefde straalt er bij elke blik nog echt vanaf. Jan geeft aan dat ze er samen het beste samen van proberen te maken. En dat gaat niet zo makkelijk de laatste tijd. Jan zijn vrouw heeft de ziekte van Parkinson en dat brengt de nodige ongemakken met zich mee. Maar het is mooi om te zien dat ze daar het positieve toch van in blijven zien. Jan vertelt stellig: “Zolang we het nog met zijn tweeën kunnen doen, doen we het nog met zijn tweeën. En om die reden werk ik nog maar vier dagen in de week.” En dan weer op zijn Oirschots: “Behalve donderdags, want dan hek corvee, haha!”. Op die dag poetst Jan het huis en doet hij de grote boodschappen. Ook zijn ze samen aan het oefenen om zijn vrouw weer met een zeker gevoel op de fiets te krijgen. Want het vertrouwen is ze na een vervelende val kwijtgeraakt.

Het landt ineens bij me dat hij net zegt dat hij nog vier dagen in de week werkt. Terwijl Jan toch al even van zijn pensioen zou moeten genieten. “Ik werrik nog elken daog, jè! Metselen!”. Terwijl hij me net vertelde dat hij door zijn gebroken pols noodgedwongen moest stoppen als metselaar en zichzelf omschoolde tot kraanmachinist. Dus vraag ik dan ook aan hem of dat dan nog wel gaat. Jan antwoordt stellig, maar wel met een dikke knipoog: “Dè gao!”

“Vreet oewe grond mèr op, die hek nie nodig!”

We keuvelen nog wat gezellig door over hun kinderen en kleinkinderen. Daar zijn ze gruwelijk trots op. Hun kleinkinderen zijn al volwassen en slaan ondertussen hun vleugels al flink uit. “Behalve d’n jongste, die woont nog thuis. Die hi ’t mèste verstand!”, grapt Jan weer. Zo komen we ook weer terug op hun huis aan de Blazoen. Want als Jan zo’n vakman is, is er dan nooit een moment geweest dat hij zelf een eigen huis had willen bouwen? “O ja, zeker!”, zegt Jan. En hij vult aan: “We zijn na ons trouwen in Spoordonk gaan wonen. Maar het huis was er te klein. Ik wilde graag bouwen en had ook grond van onze pa. En kon zelfs 2 hectare grond erbij krijgen van de buurman. Maar er zat een soort van bedrijfsbestemming op. Ik had er mooi verhaal voor bedacht, maar d’n Burger (de burgemeester, TC.) stak er hoogstpersoonlijk een stokje voor. ‘Goed geprobeerd, mè doar trap ik nie in!’, zei hij.” Vervolgens mocht hij van de burgemeester wel bij de kerk grond kopen. Jan nam geen blad voor de mond: “Vreet oewe grond mèr op, die hek nie nodig!” En weer buldert het in huize Van Stralen.

De avond valt en het is mooi geweest. Ik bedank Jan en zijn vrouw en spreek de hoop uit hem snel weer te zien. Of ik toch ondertussen nog geen pilske lust. “Nee”, zeg ik beleefd. Ik moet immers morgen gewoon weer gaan werken. “O, ik ook!”, zegt Jan. “Om zeven uur sta ik alweer op de steiger!” Oei, denk ik bij mezelf. Dat zijn geen tijden voor een tekstschrijvende huurambtenaar. En om in Jan zijn taal te blijven: “Ziedewel, vlak die ouw nie uit…”

Toon Capel